Als ik er niet meer ben

 

Als ik er niet meer ben...

Zal je me dan missen? Ga je huilen, schelden, vloeken? Vertel je de mensen wat een aardig en lief mens ik was? Weet je het dan wel te vertellen terwijl je nu zo slecht over mij praat?

Ik heb mijn buien en zelfs nare karaktertrekken. Daarom ben ik geen slecht mens, vertel ik geen achterklap en haal ik geen rotstreken uit. Ik ben gewoon zo, al heel lang. Als je daar moeite mee hebt, mag je mijn leven gerust verlaten. Als je blijft, wees dan een vriend(in).

 

Als ik er niet meer ben...

Besef je dan dat ik niet was wie ik was om jou te treiteren?

Ook ik ben, net zoals jij en ieder ander, gevormd door de dingen die ik meegemaakt heb. Ik heb veel meegemaakt in mijn leven, te veel voor één persoon. Ik verloor mijn familie, twee maal een partner en twee dochters. Vrienden lieten me vallen door die gebeurtenissen. Steun had ik niet … van niemand. Ik had wel een kind om op te voeden ondanks dat ik 29 jaar heb moeten vluchten voor een psychopaat. Het heeft me hard gemaakt verwijten degenen die nu beweren iets om me te geven. Ik vind het niet hard, het is realistisch en eerlijk.

Ik wind nergens doekjes om. Wel om jouw wonden, besef je dat wel? Je weet goed dat ik altijd een luisterend oor voor je heb en hoe ik je op alle mogelijke manieren probeer te helpen.

Vind je me nog steeds hard of luister je teveel naar wat anderen van me vinden?

 

Als ik er niet meer ben...

Dan komt de spijt. De spijt dat je geen sorry zei voor die keer dat je me op mijn ziel trapte. Keer op keer versleet je mij voor dom en zette mij tegenover anderen ook zo weg. Ik heb zoveel meer in mijn mars dan jij ooit zult weten. Jij moest zo nodig alles beter weten en hield geen rekening met mijn gevoelens. Komt dat omdat je zelf zo ongelukkig bent? Ik zie dat namelijk in je ogen.

Jouw verborgen verdriet is mede een reden dat ik je laat zijn wie je bent. Ik accepteer jou met al je onhebbelijkheden, met je woede en je grote mond. Jammer dat je geen respect voor mij toont.

 

Als ik er niet meer ben…

______________________________________________________________________________________________________________________

Het geluid van de stilte

 

Geen geluiden van mensen of langs razende auto’s. De wind hoor ik al van verre steeds dichterbij komen.

Een merel, een specht en zelfs een lijster laat zich horen. Het ene geluid raakt me meer dan het andere. De houtduiven brengen mijn lievelingsgeluid voort. Ze zijn er vandaag niet. Sinds de bomenkap zie ik ze alleen nog tegen de avond als ze uit de vijver komen drinken. Het geluid van hun klapperende vleugels vind ik ook al bijzonder. Het geeft me een gelukzalig gevoel.

De lelies bloeien aan de oever. De mussen badderen zich aan de rand. Waterlelies laten hun bladeren krullen. Een kikker springt van de kant. De gier met zijn kroost hoog in de lucht.

Ik aanschouw een wereld van vrede, liefde en geluk.

Ik ervaar een stilte die met al zijn geluiden niet te evenaren is.

_____________________________________________________________________________________________________________________

 

De rugzak

 

Af en toe wil ik mijn rugzak leeg kiepen. De hele rotzooi op bed, zodat ik uit kan zoeken wat ik niet meer met me mee wil slepen.
Al dat gesjouw wordt me te zwaar. Mijn schouders doen pijn, mijn nekspieren zitten vast. Tranen stromen op de meest ongepaste momenten. Misschien is er iemand die iets uit wil zoeken. Ik heb een behoorlijke variatie aan ellende te verdelen. Wat moet ik er eigenlijk nog mee? Het bezorgt me alleen maar overlast. Nee, de mooie herinneringen houd ik zelf. Nee, die krijgt u niet. Dat zei ik net ook al.

 

Ik weet dat iedereen een rugzak heeft; voor allen even zwaar. Niemand heeft het moeilijker of gemakkelijker. Wat in jouw rugzak zit, durf ik niet eens aan te denken. Andersom idem dito.

Ik waag de gok en strooi de inhoud van mijn rugzak leeg op het plein. Een massa nieuwsgierigen verzamelt zich bij de uitstalling. Niemand durft iets op te pakken, het te betasten, eraan te ruiken of het van dichtbij te bekijken. Een enkeling helpt me mijn spullen weer terug te stoppen. Een persoon doet de rits dicht. Alle anderen kijken weg, stappen over me heen en durven niet te spreken.

Ik gooi mijn rugzak in de gracht. Van de inhoud heb ik een overzicht gemaakt.

_____________________________________________________________________________________________________________________

Dooie boel

 

Ooit maakte ik schoon bij mensen thuis; een poetsmiep was ik. Toevallig kon ik dat behoorlijk goed en had daardoor volop klandizie. Zoveel zelfs dat ik mijn lunch genoot op de fiets terwijl ik mij verplaatste van het ene werkhok naar het andere. Ik mocht niet klagen, het was bittere financiële noodzaak. De noodzaak was er al snel af, het geld bleef binnenstromen.

Mensen die mij een beetje kennen weten inmiddels dat ik (bijna) overal de draak mee steek. "De humor ligt op straat, meneer Sonneberg", aldus Wim Sonneveld. Gelijk had hij. Mensen die mij niet zo goed kennen, reageren nogal eens wisselend op mijn humor. Zo ook iemand voor wie ik het huis schoonmaakte. Een kakker, een snob, een omhooggevallen niksnut, een blaaskaak, oftewel een kutwijf. Het schoonmaken van haar huis was onbegonnen werk; elke keer was weer dezelfde bende. Ik werkte tweemaal drie uren in de week en nog was er geen doorkomen aan. Bij sommige huishoudens moet men nou eenmaal de voeten vegen voordat men naar buiten gaat. Alles wat vastgepakt wordt, mag behouden worden; het blijft aan de handen vastzitten.

Ik verbaasde mij telkens hoe drie mensen in een paar dagen tijd zo'n smeerboel konden maken. De 'volwassen' zoon was nog de ergste. Overal resten voedsel en kleding, een uitgewoond nest om maar niet te praten over wat ik eronder vond. In de douche trof ik een zandbak aan met daarin zijn verloren gegane kinderen. Ik mopperde en schold geloof ik meer dan dat ik ooit daarvoor gedaan heb.

Een van de ochtenden was onvergetelijk. Hilarisch ook. Ik hoefde niet meer te stofzuigen, want mevrouw had een stofzuigrobot gekocht. Een ronde! Die komen het beste in alle hoeken! Het enige wat ik nog moest doen was een beetje afstoffen en de kussens van de bank opschudden. Volgens mevrouw was haar huis dan schoon. Ze had er die bewuste dag flink de pest in omdat haar man te veel werkte, te weinig thuis was blah blah blah. Ze vertelde mij dit op een toon alsof het mijn schuld was. Ik was zowel voetveeg als klankbord. Wat kon mij het schelen, het betaalde lekker. De klok tikte gewoon door dus hoe langer zij jammerde en klaagde, hoe meer ik verdiende. Na haar gezanik, ging ik die ochtend in flinke vaart met een in sterk chloorwater doordrenkte doek over de vensterbanken en alles wat zich daarnaast aanbood. Lag de laatste vensterbank, die ik onder handen wilde nemen, vol met vliegen. Ongeveer dertig stuks. Geen stofzuiger en geen stoffer en blik in huis, want dat was volgens mevrouw door dat nieuwe zuigding allemaal niet meer nodig. Ik vloekte een keer (kan ook een aantal keren vaker geweest zijn) waarop ze mopperend terug de woonkamer in kwam snellen met de mededeling dat ik altijd zoveel zeurde en jammerde.

'Het is hier één grote dooie boel,' knauwde ik.

Ik heb haar nooit meer gezien.

______________________________________________________________________________________________________________________

Zoete wraak

Verward kijk ik om me heen. Vier politieagenten staan in mijn woonkamer. Er ligt een vrouw op de bank; haar hoofd hangt achterover over de armleuning. Mijn Herman zit op zijn knieën naast haar, houdt haar hand vast en huilt.
De schrik jaagt door me heen als ik zie wie die vrouw is. Dat is Susie, mijn tweelingzus! Hij denkt zeker dat ik dat ben. Hij kan ons nog steeds niet uit elkaar houden. Wat een plezier hebben we vroeger daarmee gehad. Man, hoe stom kun je zijn om te denken dat ik daar op de bank lig? Ik sta hier, me af te vragen wat er in dit huis gebeurd is. Ik kan me niet eens herinneren dat Susie vandaag bij ons was. Wat heeft die trut hier te zoeken? Al die jaren heeft ze niets van zich laten horen en vandaag komt ze hier op de bank voor Pampus liggen. Als ik door mijn ogen wrijf blijf ik de beelden voor me zien. Vreemd. Het zal de vermoeidheid zijn die zijn tol eist. Weken, liever gezegd maandenlang heb ik beroerd geslapen. Angst en wanhoop hielden me wakker.

Stiekem ben ik nu blij. Het betekent dat Herman om mij huilt, al snap ik niet waarom. Hij is degene die mij mijn leven met opzet terroriseert. Het is waarschijnlijk allemaal toneelspel wat ik hier zie gebeuren. Vervelend weer. Ik wil die man duidelijk maken dat Herman bij de verkeerde vrouw zit te grienen. Het ziet er naar uit dat ook deze mannen zijn mooie woorden en zijn gemaakte emoties voor waar aannemen.

Het is een typisch gedrag voor Herman … slachtoffer spelen. Hij heeft het altijd zo gedaan. Wanneer ik hem met een leugen confronteerde, schoot hij volautomatisch in die rol. Met een gebogen hoofd deed hij zijn uiterste best de nodige tranen op te wekken. Het moet allemaal natuurlijk lijken. De gedachte dat ik geen volslagen idioot ben, komt niet eens bij hem op.

Kijk hem nu zitten, de smeerlap. Zijn dominante gedrag hangt me de strot uit. Ik wil al jaren van die vent af, maar krijg niet de kans bij hem weg te komen. Zijn ogen volgen elke beweging die ik maak. Al mijn woorden worden op een gouden weegschaal gelegd zodat hij ze even later de grond in kan stampen. Jarenlange onderdrukking is het, niets meer en niets minder. Mijn gevoel voor eigenwaarde weet hij perfect weg te nemen. Ergens is het ook wel mijn eigen schuld. Ik ben een nogal open type; vertel werkelijk alles wat er door mijn gedachten gaat. Over de manier waarop ik opgevoed ben, kan hij uren discussiëren met zijn vader.
Ik begrijp nu niet waarom ik Herman zoveel verteld heb. Als hij niet geweten had dat mijn moeder last van losse handjes had, had hij daar waarschijnlijk geen misbruik van gemaakt. Ik wist van huis uit niet beter dan dat ik slaag kreeg als ik iets niet goed deed in moeders ogen. Herman speelt daar mooi op in. Een andere zeer onaangename karaktertrek van hem is zijn arrogantie. Ik vergeet bijna zijn betweterigheid. Dat zal wel samen gaan met arrogantie. Ik weet het niet, ben helaas niet thuis in dat soort dingen. Ik weet wel dat zijn vader last heeft van hoogmoedswaanzin. Misschien is dat besmettelijk of erfelijk. Dat hele gezin is complete waanzin. Verrek, ik kijk ineens heel anders tegen de dingen aan.

‘Meneer de agent, hij is niet zielig. Hij is een klootzak!’

Nou dat weer. Die vent doet net of hij mij niet hoort. Moet ik soms mijn stem verheffen? Of zal ik het op z’n Anyaans duidelijk maken? Getverderrie, alle kerels zijn ook hetzelfde. Stelletje … tja, wat vind ik eigenlijk van die dingen? Rare wezens zijn het in ieder geval.

Intussen ben ik goed de klos; nou zit ik én met die vent én met die trut opgescheept. Hij denkt het voor elkaar te hebben en van mij verlost te zijn. Misschien was het niet zijn bedoeling. Hoe heeft hij haar dood gemaakt? Ik zie geen bloed, geen mes of pistool.

Hij deed wel vaker of hij me wilde vermoorden. Op het laatste moment stopte hij. Ik herinner me de keer dat hij me wilde open snijden. In bewusteloze werd ik vastgebonden aan bed. Hij vierde zijn lusten bot en haalde een keukenmes. De punt van het mes drukte hij op mijn navel. Ik raakte niet eens in paniek, was zelfs niet bang. Het verdriet overheerste. Ik dacht een man ontmoet te hebben die van me hield. Het was een nachtmerrie waar ik maar niet uit kon ontwaken.

Waarom kookt mijn bloed nu niet? Ik voel mijn hart ook niet als een razende te keer gaan.

‘Meneer de agent. Hebt u een momentje tijd?’

Weer geen enkele reactie.

‘Hallo, hier ben ik. Ik snap dat u druk bent met uw telefoon, maar ik heb u wat te vertellen. Lijkt me niet onbelangrijk.'

Nou ja, zeg. Wat mankeert die eikel? Ben ik soms niemand? Ik zal je laten voelen dat ik er ook ben, hoor. Mijn gebalde vuist vliegt rechtstreeks door zijn hoofd. Ik begrijp er helemaal niets van. Ik sla mijn handen voor mijn gezicht als de realiteit langzaam tot me doordringt. Nog een keer probeer ik de agent aan te raken, tevergeefs. Verward leun ik achterover tegen de muur waardoor ik in de keuken terecht kom. Ik besef nu wat er gebeurd is, denk ik. Ziedend ga ik terug de woonkamer in en schop Herman flink onder zijn kont. Mijn been zwiept verder en na een vreemde draaibeweging val ik neer. Nu is de maat vol. Ik weiger aan deze flauwekul mee te werken, al heb ik geen keuze. Ik ben dood. Hij heeft me alles afgenomen, zelfs mijn leven. Eens kijken of ik terug kan komen in dat lichaam. Op televisie lijkt dat heel gemakkelijk, misschien lukt het mij ook. Herman zal een hartverzakking krijgen als ik ineens mijn ogen weer open en hem om de nek vlieg. Zo mag ik niet denken. Boosheid, woede, razernij moet er door mij heen gaan.

Ik probeer terug te gaan. Een aantal mensen vertelden mij vroeger dat er ergens een draadje moet zijn tussen je lichaam en je geest. Geen draadje te vinden. Mijn eigen lichaam stoot mij af. Het voelt alsof ik tegen een muur aanloop. Het is afgelopen. Ik ben een geest. Potverdikkie, het is toch waar. Er is leven na de dood. Niet alleen de pijn in mijn lichaam is weg, ook de pijn in mijn hart. Het voelt als een opluchting. Geweldig! Nieuwe mogelijkheden liggen in het verschiet. Ik kan niet wachten om alles uit te proberen wat ik ooit op televisie gezien heb. Door muren lopen, meubels verschuiven en met spullen gooien. Raar eigenlijk. Ik kan niemand aanraken, dan kan ik ook geen voorwerpen oppakken. In de film Ghost moest hij ook eerst flink oefenen om al die leuke dingen te kunnen doen. Het zal mijn tijd wel duren; dat is verder ook het enige waar ik genoeg van heb. Ik kan het niet laten om een hautain gedrag te vertonen. Dat had ik moeten doen toen ik nog leefde; Herman had dan wel een paar tonen lager gezongen. Het misbaksel.
Ik ga oefenen, veel oefenen. Mijn wraak zal zoet zijn, jongen. Ik heb het mezelf altijd beloofd: als ik er niet meer ben, zal jij geen leven meer hebben.

______________________________________________________________________________________________________________________

Aanraken

 

Ik raak je aan … in gedachten en in mijn dromen. Het verlangen bij je te zijn is haast te groot om te dragen. Helaas … je bent er niet meer. Wat rest is een foto en herinneringen. Daar doe ik het mee. Elke avond voor het slapen gaan streel ik met mijn wijsvinger jouw gezicht en plak een zoen op je neus. Het licht van de maan laat jouw gelaat stralen. Ik dommel weg met de herinnering van weleer.

 

In de vroege ochtend voel ik een adem in mijn gezicht. Ik steek mijn hand uit en kroel door je haren. Jouw warme lichaam schuift nog een stukje naar me toe zodat je dicht tegen me aan ligt. Als ik mijn ogen open kijk ik rechtstreeks in jouw trouwe, bruine kijkers. Het is heerlijk om mijn arm om je heen te slaan ook al lig je met alle vier je poten in de lucht. Je vervangt mijn verloren liefde niet, je schenkt me nieuwe.

_______________________________________________________________________________________________________________________

Mannen

 

Hij rook naar opgedroogd zweet. Zo zag hij er trouwens ook uit, als opgedroogd zweet. Een man met een uitstraling van een lantaarnpaal op klaarlichte dag.
Ik begon me af te vragen waar ik in vredesnaam mee bezig was. Moet er nou echt zo nodig een vent in mijn leven? Het is al die voorgaande keren alleen maar gezeik en ge-etter geweest. De seks was niet bepaald van hoogstaand niveau, als er überhaupt al wat stond. Al mijn mannen leken wel bekeerde homo’s, ze wilden allemaal anaal gaan. Mij fatsoenlijk bevredigen zat er nauwelijks bij. Alsof ze niet wisten hoe dat moest. Gelijk rammen in die ster.

Als deze zweetlap net zo is, kan ik net zo goed gelijk de hand aan mezelf slaan. Misschien is dat wel de beste oplossing voor alle problemen. Geen gezeik en geen gezoek meer. Gewoon de hand aan mijzelf slaan en het liefst met een vlijmscherp mes. Dat schijnt het minst pijnlijk te zijn. Maar ja, om nou voor een vent mijn leven te geven zie ik ook weer niet zitten. Bij de vorige achttien kerels dacht ik daar niet eens over na. Waarom zou ik me nu door dit meurlapje gek laten maken, ik lijk wel gek.

Over kerels gesproken, geen van allen bleek een echte vent. Eigenlijk waren het allemaal watjes. Niet van die types waar je bij roept: ‘Wat een staafje.’ Nee, een echt wattenstaafje, soft tops ten top. Er zat een mislukte psycholoog tussen die zijn heil had gevonden als maatschappelijk werker. Ik kan je vertellen dat hij aan werken al een broertje dood had en schappelijk was hij ook alles behalve. Een lul met vingers was het. Er zat ook een onderwijzer tussen. Ja, zo’n echte ouderwetse onderwijzer. Eentje die overal een aanwijsstok bij moest gebruiken. In bed moest ik hem aanwijzen waar hij mij moest raken. Over de overige kweentjes kan ik maar beter niet praten. Het is te triest dat ik daar enige energie ingestoken heb.

Nu zit ik hier met Meurdok. Hij zegt dat hij arts is in het Medisch Centrum. Dat kan natuurlijk weleens van pas komen. Poen zal hij ook zat hebben, hoewel dat duidelijk niet aan deodorant of wasmiddelen wordt uitgegeven.

Hij heft zijn lege glas en knikt naar de serveerster. Ze brengt ons direct nog twee glazen koud tapbier. Als ze iets voorover buigt om de glazen neer te zetten, kijkt ze mij diep in mijn ogen. Er gaat een tinteling door mij heen. Ik kijk naast mij naar mijn potentiele minnaar en krijg acute braakneigingen. Weg is het lekkere gevoel in mijn donder. Ik snauw de sukkel toe dat er een stukje in zijn neus zit. Een stukje van zijn vinger wel te verstaan. Van een beetje avontuur ben ik absoluut niet vies en van zelfontplooiing al helemaal niet, maar omdat nou via de neusholten te doen gaat mij iets te ver. Ik heb het er helemaal mee gehad. De ene stumper doet niet onder voor de andere.

De serveerster laat zich Gerda noemen. Ze is een lekker wijf en ik denk dat ik gewoon lesbisch word. Afgelopen met al die niksnutten.

Wij vrouwen zijn toch overal beter in; in bed, in het huishouden, in vreemd gaan én in voetbal.

_______________________________________________________________________________________________________________________

Onbekende plekken

 

Een goede nachtrust begint een illusie te lijken. Draaiend en woelend breng ik menige nacht door in een vreemd bed. De hang naar rust wordt met de dag groter. Vooral rust in mijn hoofd. Het is daar waar de meeste niet bestaande verhalen zich afspelen, bijna smekend om tot een goed einde te komen. Ik ben moe, verdrietig, teleurgesteld en hoopvol.

Bij daglicht vind ik ideale plekken om te vertoeven, val ik in dromen die ik wil en zal verwezenlijken. Werkend aan een toekomst die uitpuilt van de vragen, val ik van de ene verbazing in de andere. Vol bewondering kijk ik hoe mensen wegblijven, mij de rug toe keren. Vol verwachting open ik mijn deuren voor hen die meer willen, echte vriendschap zoeken en zichzelf durven te zijn.

_______________________________________________________________________________________________________________________

Totale zelfvernietiging

 

Ik kap ermee. Nee, je hoeft me niet te vragen waarmee. Ik kap gewoon met alles. Echt alles. Ik word doodziek van al die afkeurende blikken van jou.
Trouwens, nog meer van dat gelul achter mijn rug om. “Hé, hallo, als je toch achter mijn rug om lult … neem dan gelijk even de moeite om mijn kont te kussen.”
Wat een geleuter allemaal. Terwijl je zoveel meer leuke dingen met leuteren, of is het leuters, kunt doen. Voorbeelden mag je zelf bedenken.

Wat sta je mij nou stom aan te kijken? Bij jou is het net zo’n grote puinhoop in je zielige prutsleventje. Boze blikken mag je ook voor je houden, daar ben ik niet van gediend. Ik maak lekker helemaal zelf uit of ik ergens mee stop of dat ik ergens mee doorga. Moet jij daarom nou ook je tong uitsteken? Kinderachtig, zeg. Kleuter.

Ik kap ermee. Met alles. Ik ben al die leugens ook spuugzat. Overal ren ik als een losgeslagen debiel achteraan om de waarheid te vertellen. Helaas kom ik altijd te laat. De leugen heeft intussen al zoveel schade aangericht…

Dan heb je ook nog van die lichtpunten die gelijk een leugen als waarheid aannemen en niet de moeite nemen om de andere kant van het verhaal aan te horen. Die andere kant willen ze niet eens horen. Want dan moeten ze luisteren en dat is voor veel mensen iets engs. Doodeng. Wat moet de leugenaar wel niet van ze denken als ze zoiets flikken. Daar is niet mee te leven.

Waarom sta je nou je schouders op te halen? Jij gelooft mij ook niet? Lazer gauw op. Heb je jezelf weleens goed bekeken, niksnut? Je ogen schieten vuurpijlen af, imbeciel. Dom mens. Je zet jezelf keer op keer voor schut. Je haalt jezelf onderuit en denkt dat niemand het in de gaten heeft. Je pijnigt jezelf telkens weer. Dom, mens.

Ik kap ermee. Echt, met alles. De enige manier om leugens te bestrijden is door de waarheid te vernietigen.

En het enige om jou, mijn ego, niet langer te hoeven krenken, is de spiegel te vernietigen. Daar ga je, gek mens.

Ja, ja, steek jij ook maar weer je middelvinger op.

_______________________________________________________________________________________________________________________

Contact

 

De straatverlichting springt aan. Weemoedig kijkt ze door het raam naar mensen die zichzelf niet bij kunnen houden.

Ze krijgt langzamerhand de indruk dat mensen pas op haar zullen reageren als ze in haar kist ligt.

'Goh, het was toch best wel een tof wijf.'

'Ik had nog zo graag een keer een gesprek met haar gehad.'

'Ik weet zelf ook niet waarom ik nooit naar haar omgekeken heb.'

 

Het komt steeds vaker voor. Het geklaag over schuldgevoelens en verzwolgen egoïsme tijdens een begrafenis.

'Je mist iets pas als je het niet meer hebt,' roep één van de kinderen. Het is de intelligentste opmerking die ochtend.

Na de koffietafel gaat ieder weer zijn eigen weg met de leugen dat het contact onderhouden zal worden.

_______________________________________________________________________________________________________________________